Maagdenpsalm
Kijk: er zijn zo van die dagen. Alles zit mee, en van bij het begin.
Haar verjaardag, de smaak van ongeproefde wijn, de letters die beide lippen prevelen.
Blikken verhuizen, zoals benen, zoals ingebeelde handen.
Dansen is heel bescheiden om liefde vragen.
Onder waakzame ogen van vrienden, zussen, en ingebeelde vreemden.
Alles mag, voorlopig kan niets.
De vrienden gaan naar huis, de zussen blijven zagen.
En wij, kinderen van een korte nacht, blijven opgetogen achter.
Elke seconde telt. Spreken wordt lallen,
en wandelen wordt waggelen, maar we lallen met heldere zinnen.
Een fiets helpt ons aan de trappers van elkaar.
En we komen klaarwakker thuis.
Het wordt al licht, haar laarzen moeten uit.
Haar bed is nog niet berekend op afstand.
“Doe maar”, zegt ze, als ik onnadenkend aan haar rits pruts.
“Laat maar”, zeg ik, als ik haar enkels kus, haar wimpers, en de pittige stijfheid van haar borsten.
We hebben urenlang gekust, en de stilte afgedroogd in bad.
Steeds vreemder keek ze naar mij op, steeds verder leek ze van mij verwijderd.
Ik liet haar begaan, en vierde haar volle zeilen -
voorbarig misschien, en niet vertrouwd met opstekende windkracht.
“Waarom jij?”, vroeg ze, met verwilderde ogen,
“Waarom ik?”, herhaalde ik, want in mijn dromen had ze verborgen talenten,
als minnares, als model, als openbare hartenbreekster van oprechte, potige jongens.
“Waarom ik?”, vroeg ik mij af, want ik diende niet voor later,
ik was geen droom, zelfs geen verlangen, ik had doodgewoon een lul,
en was vertederd door haar ogen, haar ingevallen wangen, haar zwarte, moeilijk uit te trekken laarzen.
“Waarom ik?”, vroeg ik mij af, als ik wil blijven, en verliefd wil zijn,
en alleen maar wil neuken als haar leerschool,
de herhaling van vermoedelijk geweld, en vurige uitstappen,
in welriekende, alom bekende dreven.
“Ik niet”, dacht ik, “Ik wil geen moord op mijn geweten.
Ik wil haar dagen niet bezetten met vruchteloze wanhoop en hopeloze liefdesijver.
Ik wil haar behoeden voor mijn onrecht, en terugschenken:
aan iemand die haar levend vermag, iemand die dagelijks voor haar lijdt,
dag in dag uit de driftkop van haar zenuwslopend lijf,
dag in dag uit de melkwei van haar oeverloze delta.
Ik gedoog haar, maar zonder indringend beleid.”
Sindsdien ben ik geen blik meer waardig.
De inslag van rijvaardige geuren,
de afgeslagen hand van keurige hovaardij.
Haar wildste dromen berijdt ze smalend -
de zwaartekracht wint van haar mondhoek.
Dat wou ik haar besparen, echt waar -
haar vertwijfeling was niet gespeeld:
ze was nog maagd.
Hoe kon ik dat weten?
(09.08.02)
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

