Bookmark and Share

Terugblik

Niemand kan haar kut beschrijven zoals ik.
Ik moet ze zien.  Ik moet ze voelen.
En haar geur moet ik verzinnen.

Ik laat mijn kleurkalenders thuis.
Groenten- en fruitmanden sla ik over.
Harde woorden - de taal die onze huid opjaagt - laat ik achterwege.

Het ontbreekt mij - fundamenteel - aan poëzie.

Omdat hij loeit in mijn blik.
Omdat hij gorgelt in mijn hand.
Omdat mijn piemel eens goed moet lachen.

“Allez, jong!”, zei ze, toen ze mij dwong de taal te verlaten.

En nog steeds verbuig ik woorden die ontbreken.
Nog steeds staar ik mij blind op haar zilte, gekrulde bekroning.
Ontroerd, en mateloos bedreven in vervoering.

(15.04.02)

 

 

 

 

||||| Abonneren, delen, opslaan