Bookmark and Share

Infarct

Het wordt een triestige man.
Nog altijd ontplofbaar.
Maar aangeslagen.
Fel verzwakt, tussen zijn opgehoopte spieren.

Ik wist het, ik wist het.
Maar het heeft niet gebaat.
Nu nog:  ik weet het, ik weet het.
Maar ik ben machteloos.

Deze man is niet te redden.
Deze man is niet te verjagen,
uit zijn dichtgeslibt karkas,
uit zijn opgehoopte honger, naar liefde, naar bevrijding.

Ik voel het, ik voel het nu zelf:
hoe ik gevangen zit, in een verkaveld lijf,
met brakke gronden, en netelige stromen.
Mijn verdriet is niet te stoppen.

Mijn vader:  waar ik van hield, die ik haatte.
Hij neemt afscheid van het leven,
in alle comfort, in een kluis van een huis.
Dat afscheid dat de dood nog jaren te week legt:  dat doet pijn.

Ik kan naar hem kijken, en hem niets verwijten.
Ik kan mezelf vergeven, dat ik niet ontstond,
dat mijn leven een storm bleef, in het kuiltje van zijn keel.
Maar dan nog.  De pijn boort een gat in mijn borst.

(10.01.07)

 

 

 

 

||||| Abonneren, delen, opslaan