Anouar Brahem (Brosella, 2009)
Plek (Groentheater, Brussel)
Een vergiet van terrasjes dat afzakt richting podium,
sober opgericht in de buik van dit theater.
In het hart van dit park dat de open lucht afboordt,
en inzoomt op de bolle glans van het Atomium.
Mensen, massa's mensen, die schuifelen en drinken,
zitten en verhuizen, of wachten, gelaten.
Iedereen kent iedereen - een dorp op verplaatsing,
een web van jaarlijks weerkerende ontmoetingen - "Hoi, hoe is 't?".
Uur (18.00u, GMT)
Op deze zondag - de zon vindt haar oog,
en verdampt de modder van gisteren.
Er hangt geluk in de lucht, van gezapigheid,
van lommer en licht, van het aanstaand concert.
Het is nog vroeg op de avond, zweet vloeit als bier,
de vlagjes wapperen geruisloos, hagen schijnen verblindend.
Een verdwaalde trechter in Brussel, een tochtend tijdgat,
waarin de middag nagalmt van een rijzend festival.
Toeloop
Gluren, in de nok van het theater, op zoek naar onbekenden,
op zoek naar een plaats, afdalen, opschuiven,
richting podium, een stoel veroveren - links navragen,
rechts navragen - vrij, in de zon, in het licht, op een stoel,
op een zondagmiddag, wachtend, genietend, gelaten.
De ogen sluiten, de benen strekken, bijtrekken -
alles is adem, en rijzen en dalen - zittende beweging.
"Hé, hoe is 't? Dat is ook toevallig dat jij hier zit?!"
Concert
i.
Tijd nemen, het theater opzuigen. Dat wordt onthaald op applaus.
Dat is een eerste inbreuk op de stilte, die weerstand biedt
aan het getater, het gejoel, de gsm's - biep biep.
En tijd geven: het oor van een klank. Voorzichtig getokkeld,
met opgeheven hoofd, waakzaam, overzicht in de blik, handen zacht.
Gedempte tonen, die uitzwermen als ontsnapte vlinders, trillend.
Een Ud wordt een dromenvanger, een bres in de tijd, een deur in de ruimte.
Met drie scharnieren: een bardoeka, een bendir, een klarinet.
ii.
Zachte snaren worden uit elkaar gerafeld,
strakke snaren worden in elkaar gewoven.
Op dit hoorbaar tapijt vervliegen plek en uur,
wordt de hitte geblust met opzwepende balsem.
De tijdeloosheid van een Ud (waar bij ons de tijd heerst).
Een Ud die tijd schept (waar tijd niet lijkt te bestaan).
Hier en nu schept hij andere plaatsen, doordringt hij ons
met andere lichamen, baart hij een andere wereld. Die openligt.
iii.
Zoals zand dat opstuift, en beeldtaal wordt,
vluchtige droedels die woestijnen en steden voorafgaan.
Zoals water dat zijn stroom onderbreekt - opspat,
en alles aanraakt om zich heen, als nevel, als damp, als dauw.
Zoals vuur dat oplaait, en zich diep in de aarde boort,
en van daaruit likt aan de grond die wij bewonen.
Zoals lucht, die uitzet en krimpt, die de omvang van onszelf bepaalt,
die ons meevoert, met en tussen alles wat leeft en stilstaat.
Zo klinkt de Ud.
iv.
En daarbovenuit, slepend, smekend, een klarinet -
dramatisch gekeel dat opzwelt, en openbarst, en verdersluipt.
Getrom, getrom, getrom - versmeltend daartussen.
Geroffel, geklop, getik, geklap, gedrum. Getrom.
Dat ons ontvoert, op aders van licht en adem.
Stilte die beweegt, gevoel zonder zin. Een optocht
van goden, van landen, en mensen, en andere mensen.
Een deur, open, toe, groot, klein - geslagen, gestreeld.
v.
Ud. Ud. Klarinet. Bendir. Op een draf.
Ud. Doortastend. Ud. Bendir. Klarinet.
Langzaam. Fluisterend. Bendir. Aanzwellend.
Heftig. Ud. Hevig. Bendir. Onderscheppend.
Aarzeling. Galm. Inbreuk. Helling. Slagkracht.
Inslag. Panorama. Vlucht. Vliegen. Val.
Opwinding. Opwelling. Tegendruk. Aftasten. Speels.
Genadeloos. Donderend. Stuipen. Krampen. Balg.
Afloop
Als een bel die ontploft, valt de laatste noot.
Even plots als verwacht: smelt de stilte samen.
En overdondert het applaus - een beetje beduusd.
Nog even met de ogen knipperen. Nogmaals links en rechts.
En rechtkomen, een beetje als een struik die leert opstaan.
Nog even starend naar het lege podium. En de leegte die wegebt.
Dat is alweer een nieuw
moment, met nieuwe geluiden.
Geroezemoes. En een grommende maag. "Ja, tot straks misschien... "
| (12-17.07.09) |
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

