Handleiding voor meisjes die denken dat ze een probleem zijn
1.
Je kan zelf geen probleem zijn.
Problemen zijn als vijzen, die de tafel overeind houden.
Sleutels die de vorm van het slot bepalen.
De sleutel die het slot is dat opendraait.
Verwelkom 'het probleem'.
Dat je zelf niet bent. Dat anderen niet zijn.
Dat je in handen hebt, als een glazen bol,
die kantjes aan de toekomst vijlt.
Het kan geen kwaad om in die bol te kijken.
Het kan ook deugd doen om die bol tegen de muur te keilen.
2.
Onder het denken, in het gepieker,
sluimert zekerheid - die zit in je lijf.
Bevrucht door licht, en lucht, en water, en voedsel.
Elke cel weet wat ze wil: daar kan niemand tegen op - zelfs jij niet.
Piekeren helpt niet. Niet piekeren helpt ook niet.
Denken is ook goed. En denken is het grootste probleem.
In het denken, en onder het gepieker schuilt zekerheid:
dat je weet en kunt wat je wil. Er is niemand
die kan leven in jouw plaats. Beslissen, kiezen -
dat is innerlijke wijsheid die meegroeit met jezelf.
3.
In alle groei schuilt weten. Weten dat bewuster wordt,
gevoed vanbinnenuit, vanbuitenin - verbonden.
Er is veel misgelopen. Tussen jou en de wereld -
dat is niet voorbij. Daar zit jij nog altijd tussen.
Maar alleen jij kan veranderen. Alleen jij kan bruggen bouwen.
Naar wat je kreeg, naar wat je niet kreeg. Naar wat je nodig hebt -
nu. Naar wat je wil - nu en later. Je kan nu beginnen. Nu.
Laat het verleden opdoemen - ook als het pijnlijk is.
En voltooi het: laat los. Schud, schreeuw, ween het van je af.
Droom van de toekomst. En laat je vallen: ze komt op je af -
niemand weet hoe.
Ga zitten. Kijk om je heen. En haal adem.
4.
Adem brengt jou dichter.
Dichter bij woorden, dichter bij gevoelens.
Dichter bij de groeven in jouw vel, bij de kiemen van later.
Echte pijn is verlossing. Van ingebeelde pijn.
Echte pijn is pijnlijk. Maar gaat voorbij.
En komt soms terug. En gaat weer voorbij.
Pijn die knaagt, wil gehoord worden.
Pijn die knaagt, wil gezien worden.
Pijn die knaagt, wil gevoeld worden.
Alleen jij kan beginnen: met luisteren, kijken, gewaarzijn.
5.
De reis is zo kort of zo lang als je zelf wil.
Leren leven met alles wat je hebt en bent - het is verschrikkelijk.
Of het zaligste dat er is. Het moeilijkste:
aanvaarding. Die geen berusting is, en geen rebellie.
Aanvaarding is loslaten wat jou bepaald heeft.
Is wat jou nu nog bepaalt een rustgevende plaats geven.
En keuzes maken: in wat je zelf, nu, bepaalt.
6.
Vader, moeder, of geen. Broer, zus, meerdere of geen:
Jouw familie is wat ze is. Dat is een simpele waarheid.
Die verder blijft wat ze is. Er valt niets goed te maken.
Er valt niets te veranderen. Alleen jij kan anders naar hen kijken.
Om te beginnen: in jezelf. Hen verketteren, verguizen,
verwensen, beschuldigen, beklagen, bekeren.
Het helpt niet. Maar doet deugd. Om te kunnen eindigen:
laat je hen zijn wie ze zijn. En alleen jij kan zijn wie je bent.
Niet wat je voor hen kan doen. Niet wat je van hen moet zijn.
Het is nooit te laat om te worden.
7.
De dood is een vorm van bijgeloof.
De dood verlost niet, maar beëindigt een dodelijk leven.
Niemand wil een dodelijk leven.
Iedereen wil leven.
Iemand, noch iedereen: jij bent jij.
Tussen leven en dood.
Kies het leven.
Dan wordt de dood een bekroning -
het laatste, magische geschenk.
| (02.08.09) |
Creative Commons :: Some rights reserved :: BY/NC/SA :: Biezon (1972-2011)

