Bookmark and Share

Te goeder trouw

Hoe mooi de haat wordt, als hij ouder wordt, bijna verjaard,
maar helder, en verlost van de pijn die mijn verwarring teisterde.

Een bitsig kreng, of één en al lof en wierook:
de drank bepaalt welke kant jouw gezicht opflikkert.

Die Januskop, van over- en onderschatting,
die macabere dans van goed en kwaad op de trom van jouw leegte.

Want dat je leeg bent: dat staat geschreven, in je blauwe aders,
in je blanke, doorschijnende huid. Dat staat te lezen,

in jouw wijd opengesperde ogen - het zoeklicht van een hart op slot.
De leegte, die hou je vast, met porseleinen armen, met vastgeroeste heupkoppen.

Walging kan zo leuk zijn, zo helemaal van: wat dan ook,
het kan mij niet schelen. En ik zit lekker niet met je in.

Dat zou je wel willen. Dat ik met jou inzit.
Zo ga je lopen, elke keer opnieuw, met een nieuwe karrevracht man.

Op jouw witte paard. Om ze dan te bedelven:
onder kalk, in jouw vitrine, tussen andere levende lijken.

Wat een opluchting: om al jouw ellende te zien.
En er niet voor te wijken, niet te bezwijken, voor jouw opgepoetste voorportaal.

Een mondvol walging: dat kan zo helemaal leuk en verfrissend zijn -
het begin van een opgeruimd gemoed.

 

 

 

 

||||| Abonneren, delen, opslaan