Litteraire invloeden: ik kan ze op mijn één hand - ok, twee dan - tellen.
Jotie 't Hooft. Hoe zou hij schrijven als hij nog zou leven? Wat had hij nodig om te 'genezen' van zijn 'waanzin'? (Jaja, allemaal haakjes...)
Hugo Claus. Lang niets van begrepen. Tot de 'Oostakkerse Gedichten' - nogmaals. En er 'brak' iets in mij, het litteraire vruchtwater of zoiets - het stonk, maar de woorden stroomden... (17.11.94)
Hugues C. Pernath. Zijn gebroken adem, even helder als kristal.
Walt Whitman. Out of the cradle endessly rocking. Ontdekt via Octavio Paz, 'De boog en de lier'. Een naam die eruitschoot. De moderniteit in al bedrijvigheid, in al haar verwachtingen. Het nieuwe Amerika waarin alles kon en mogelijk was. Een zingend lichaam, een hele planeet in zijn voetzolen. Hoe zou hij klinken na de holocaust?
En Arjen Duinker. Via de bloemlezingen van VSB. Zowat de enige Nederlandstalige nog levende dichter die echt tot mij is doorgedrongen. 'Losse gedichten.' Zo helder, zo fris, zo ontwapenend.
Sinds kort: Rumi. Klaterende 'eeuwige' poëzie, die mij gemakkelijk raakt (maar niet in Nederlandse vertaling - misschien omdat ik dan elk woord begrijp?).
Voilà. Zes auteurs. Waarvan ik allesbehalve alles gelezen heb, soms zelfs bijna niets. Het gaat mij om de erkenning: dat iets mij zodanig geraakt heeft dat ik er door beïnvloed en geïnspireerd werd. In enkele gedichten (ook op twee handen te tellen) is dat bijna letterlijk te merken.
Maar verder: een echte lettervreter ben ik niet. En internationale litteratuur: die valt zo goed als buiten mijn leeservaring. Ik doe soms moeite om bij te houden wat er gebeurt in mijn moedertaal. Maar dat lukt mij niet, laat staan dat ik de geschiedenis van de Vlaamse en Nederlandse poëzie goed zou kennen.
Natuurlijk ben ik wel naar school geweest ('De dubbelfluit' van Anton Van Wilderode) en dat heeft sporen nagelaten. En er zijn de talrijke bloemlezingen (Brems, Komrij, Van Bastelaere...). Maar hoe maak ik daar de invloeden uit op?
Even belangrijk is de invloed van mijn omgeving. Zonder de aanmoedigingen van Bart Eeckhout, mijn eertijdse klasgenoot, zou ik wellicht niet zijn blijven schrijven. Het is ook door hem dat ik heb deelgenomen aan 'Een beetje poëetje', een poëzievoorstelling in Sint-Niklaas (met hemzelf, Roel Verniers, Dimitri Verhulst...) - het is verbijsterend (maar ook voorspelbaar) hoe elk van ons leven gelopen is.
En ik denk aan één vriendin in het bijzonder (Liesbet De Clerck - ik weet niet of dit juist gespeld is). Zij had een gedicht ('Mijn huis staat op de maan') geschreven voor een gemeenschappelijke vriend dat mij nu nog altijd ondersteboven haalt. Ik heb door dat ene gedicht misschien meer geleerd dan door al de rest samen - misschien.
Het grootste gedeelte van mijn leven heb ik ook alleen maar geschreven. Geschreven, geschreven, geschreven. Niet alleen poëzie: 'gewoon', schrijven. Op duizend-en-één manieren - als het maar schrijven was. Tot het uiteindelijk 'mijn' manier werd (als die al bestaat).
Soms heb ik jaren aan één stuk door niets anders gelezen, alleen maar geschreven.
Geen kranten, geen televisie, enkel schrijven, schrijven, schrijven...
Dit neemt niet weg: boeken hebben mij voor een groot deel gemaakt tot wie ik ben. Andere boeken dan - geen litteratuur.
Filosofie, psychologie, spiritualiteit...
Ik kan mij mijn leven niet indenken zonder de boeken van Alice Miller (in eerste instantie 'Het drama van het begaafde kind', pas gelezen toen ik al aan de universiteit zat). De 'zwarte pedagogie' en de politieke schaduwkant daarvan (of omgekeerd).
En er zijn nog zo van die boeken, boeken die een stempel drukten, een richting schiepen:
- 'De wijsheid van de hersenstam' - ondertussen herwerkt tot 'Het mysterie van de hersenstam' - (Tjeu Van Den Berk)(over het belang van onze 'basisfuncties' - eten, dromen, slapen, vrijen, aandacht... - en hun intrinsieke spirituele betekenis)
- 'Bio-energetica' en 'Genieten' (Alexander Lowen)(al gelezen in mijn puberteit, maar pas later gaan beoefenen...)
- 'De gezonde burger' (onder redactie van Jan Rolies)(dit boek heeft mij op het spoor gezet van filosofen die ik verder ben gaan bestuderen: Sloterdijk, Beaudrillard, Deleuze...- 'ziekte en gezondheid', een thema dat mij helemaal biologeert...)
Hier heel mijn filosofische ontwikkeling uit de doeken doen - dat zou mij te ver voeren. Feit is: ik heb 'filosofie' nooit voor lief genomen. Ik heb mezelf altijd als 'filosoof' in vraag gesteld. Er is 'iets' wat aan filosofie/de rede voorafgaat. En in poëzie kom ik daarmee in aanraking. Loop ik vooruit op mezelf. En wellicht ook op mezelf als filosoof.
Poëzie is voor mij dat heilige voorgeborchte, waarin wetenschap, filosofie, litteratuur en mystiek nog 'één' zijn. Of voor mij een manier om hun verschillen in een eenheid te ervaren.
De boeken die ik hierboven al vermeld heb, hebben al heel vlug een toon gezet (sommige al in mijn puberteit).
Maar ik ben 26 moeten worden om mijn allereerste lessenreeks 'bio-energetica' te doen. Terwijl ik aan de unief zat vond ik (toen) in de academische litteratuur geen of weinig aansluiting bij wat mij interesseerde. Ik vond welgeteld één boek waarin iet of wat degelijk over Reich (en dus over de lichaam-geest verhouding vanuit die benadering, als 'functioneel identiek') geschreven werd in een poststructureel perspectief ('L'expressivité du corps' van Michel Bernard), en één artikel over 'the lived body' ('The Lived Body in Phenomenology and Psychoanalysis' van Joseph Lyons).
Het is dan ook geen wonder dat ik mij tot de praktijk gewend heb, als voeding voor mijn (ook filosofische) ontwikkeling - het is alleen moeilijk te begrijpen dat het zo lang geduurd heeft. Want na twee reeksen hield ik het voor bekeken - de tweede heb ik zelfs niet afgemaakt.
Ik ben dan 33 moeten worden om mijn eerste workshop met Jack Painter te doen (grondlegger van 'Posturale Integratie', een vorm van lichaamsgerichte therapie die Reichiaans lichaamswerk, bio-energetica, Gestalt, Rolfing en accupressuur integreert in een psychotherapeutisch kader).
En dat heeft de deur naar de praktijk definitief opengezet.
Ik denk dat uit de evolutie van mijn werk blijkt hoe groot de invloed daarvan is geweest en nog altijd is: de thema's worden breder, de gedichten worden helderder, toegankelijker. De toon wordt milder, zachter, warmer. De 'grondstemming' verandert. Mijn leven verandert, en ik word opener.
Wat maakt dat ik mij open voor wat uiteindelijk de enige onuitputtelijke bron van inspiratie is: mijn/het leven/Leven zelf...
Bon, dit is een zin die klinkt als een zonsondergang (als een even groot cliché) maar ik ga het hierbij laten, voorlopig.
Ik vind cliché's geweldig, trouwens.
Terug naar mijn leven in 'Bundels'.
Terug naar 'Wie ben ik?'